| |
Beoordeel kunst niet uitsluitend door westerse bril
Stephen Hodes en Philip Tijsma, 1 juli 2009
De Tweede Kamer debatteert woensdag 1 juli 2009 over 'culturele diversiteit' in de gesubsidieerde kunst. Het zou een stap vooruit zijn als de kwaliteit van de kunst niet meer uitsluitend door een westerse bril wordt beoordeeld, betogen Stephen Hodes en Philip Tijsma in onderstaand artikel dat vandaag in een bewerkte versie verscheen in Het Parool.
Händel, Beethoven en Mahler op het programma. Een lelieblank publiek in de zaal. Op het podium een orkest dat – op een enkele Chinees of Japanse na – vrijwel geheel bestaat uit muzikanten met een Westerse achtergrond. Wie op een willekeurige donderdagavond het Amsterdamse Concertgebouw bezoekt, zou kunnen denken dat onze samenleving de afgelopen decennia niet is veranderd.
De werkelijkheid is anders: volgens het CBS heeft één op de drie Amsterdammers momenteel een niet-westerse achtergrond en onder jongeren is dat meer dan 50 procent. Soortgelijke percentages gelden voor de andere grote steden. Toch zien we publiek en kunstenaars met een Turkse, Marokkaanse of andere niet-westerse achtergrond zelden in concertgebouw, opera en museum.
Het was staatssecretaris Rick van der Ploeg van Cultuur die dit gebrek aan 'culturele diversiteit' in het gesubsidieerde kunstcircuit eind jaren negentig agendeerde. Zijn gebrek aan nuance streek cultuurinstellingen recht tegen de haren in, maar culturele diversiteit staat sindsdien wel op de agenda. Op woensdag 1 juli debatteert de Tweede Kamer, naar aanleiding van een recente brief van minister Plasterk (Cultuur), over het onderwerp.
Tien jaar na Van der Ploeg onderzochten wij voor Netwerk CS (leernetwerk voor diversiteit in de cultuursector) hoe het er voor staat met culturele diversiteit bij de 212 rijksgesubsidieerde cultuurinstellingen. We bestudeerden hun beleid, legden ze een enquête voor, spraken met vijfentwinting directies en organiseerden expertmeetings. Het rapport werd onlangs door minister Plasterk in ontvangst genomen en de uitkomsten zijn weinig flatteus voor de sector.
Hoewel negentig procent van de cultuurinstellingen diversiteit een belangrijk thema vindt, beschouwt slechts twintig procent zichzelf als zeer actief op dit gebied. Er bestaat weinig gevoel van urgentie over het thema. Men heeft nauwelijks personeel of bestuursleden met een niet-westerse achtergrond en over het algemeen ontbreken ambities om daarin verandering te brengen.
Cultuurinstellingen hebben vaak geen idee hoe ze een meer cultureel divers programma kunnen bieden of een 'gekleurder' publiek kunnen bereiken. Ze slagen er óók niet in de Turkse en Marokkaanse elite te bereiken. Zoals één van de respondenten stelt: 'het is meestal geen onwil, wel onvermogen'. De wijze waarop met culturele diversiteit wordt omgegaan roept het beeld op van een 'olifant in de kamer': iedereen ziet het enorme dier staan, maar bijna niemand benoemt de kwestie of gaat er mee aan de slag.
Hoe brengen we daar verandering in? Vast staat dat de sector zélf aan zet is; de ontwikkeling moet komen uit het hart van Nederlandse musea, dansgezelschappen, theaters en orkesten. Door de overheid opgelegde maatregelen bleken de afgelopen jaren weinig effectief en ook organisaties die zich specifiek toelegden op het bevorderen van diversiteit in de cultuursector, zoals de Phenix Foundation en Kosmopolis Nederland, legden één voor één het loodje. Netwerk CS besloot onlangs zichzelf op te heffen omdat men niet langer een 'cultuureel divers doekje voor het bloeden' wil zijn.
Een eerste stap naar meer diversiteit is het vaststellen van een visie. Kiest Toneelgroep Amsterdam bewust voor een cultureel diversere programmering en het bereiken van bijvoorbeeld meer Marokkaanse Nederlanders? Legt de Nederlandse Opera of Nationaal Ballet zich juist volledig toe op klassiek Westers repertoire? Het zijn beide mogelijk valide keuzes, maar ze blijven nu impliciet en oncontroleerbaar.
De eerste tekenen dat de gesubsidieerde kunstsector het onderwerp oppikt, zijn er. Een aantal koepelorganisaties is sindskort over het onderwerp in gesprek en er is een Code Culturele Diversiteit in de maak, waarin de gesubsidieerde instellingen gezamenlijk vastleggen wat ze op dit gebied willen bereiken.
Maar er moet veel meer gebeuren: versterk de kennis over niet-westerse kunstvormen, ontwikkel marketingmodellen om nieuwe Nederlanders te bereiken, kijk buiten de eigen netwerken, intensiveer cultuureducatie en leer van elkaars successen en fouten. De gesubsidieerde cultuursector heeft daar veel bij te winnen: niet alleen is meer diversiteit een kans om het artistieke aanbod te verrijken, het is ook een unieke mogelijkheid om te voorkomen dat zalen, door de veranderende bevolkingssamenstelling, langzaam leeglopen.
In zijn brief aan de Kamer erkent Plasterk de problemen en doet hij een aantal goede voorstellen. Toch kan ook de minister meer doen, door te kiezen voor een zogenaamd 'contextueel kwaliteitsbegrip'. Dat klinkt abstracter dan het is. In de Surinaamse theatertraditie is een toneelstuk pas geslaagd als er 'beweging' in de zaal ontstaat, het publiek zich met de acteurs identificeert en dingen terugroept. Het beoordelen van klassieke Turkse of Chinese muziek vraagt om geheel andere kennis dan het beoordelen van een westers symphonieorkest. Het is weinig zinvol om streetdancers te beoordelen op grond van de vraag of ze beschikken over een diploma van de dansacademie. Uitgaan van een contextueel kwaliteitsbegrip betekent aandacht voor dit soort contextuele aspecten bij het beoordelen van kunst. In een land met zoveel verschillende culturen als Nederland is dat essentieel. Plasterk wijst het contextuele kwaliteitsbegrip in zijn brief van de hand. Dat lijkt een pleidooi om niet-Westerse cultuuruitingen te bekijken door de verkeerde bril. Het heeft bovendien grote consequenties, omdat het kwaliteitsoordeel in Nederland bepalend is voor welke kunst de overheid subsidieert.
Met extra inspanningen van zowel de gesubsidieerde cultuurinstellingen als de minister krijgt Nederland een cultuuraanbod dat beter past bij onze kleurrijke samenleving. Een voorproefje daarvan biedt het Amsterdamse Concertgebouw tijdens schoolbezoeken op donderdagochtend. Dan is het publiek niet lelieblank maar even veelkleurig als de Amsterdamse bevolking.
Stephen Hodes en Philip Tijsma zijn respectievelijk directeur en adviseur bij LAgroup Leisure & Arts Consulting en co-auteurs van 'De olifant in de kamer; Staalkaart culturele diversiteit in de basisinfrastructuur'. Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Het Parool, juli 2009. |