De laatste twintig jaar zien we te weinig verandering op het gebied van culturele diversiteit in de Nederlandse cultuursector. Terwijl de bevolkingssamenstelling wél sterk is veranderd. Een oproep: werk actief aan een nieuw evenwicht waarin culturele diversiteit in de kunsten vanzelfsprekend is.

Uit eerder onderzoek blijkt dat culturele diversiteit in de kunst- en cultuursector vaak projectmatig wordt aangepakt in plaats van als vanzelfsprekend onderdeel van beleid.[1]  Een museum doet een ‘leuk project in een wijk’ of een theater ‘verhuurt’ de grote zaal aan een wereldster uit Turkije (lees: programmeert dus niet, maar verhuurt). 

Een kwestie van serieus nemen
Vooral in de G20-steden is de bevolkingssamenstelling de laatste tientallen jaren behoorlijk veranderd. Toch zijn de meeste culturele instellingen die Rijkssubsidie krijgen of die met andere publieke middelen structureel gesubsidieerd worden, zeer beperkt bezig met culturele diversiteit. In 2008 deden we met LAgroup onderzoek naar de mate en (financiële) waardering van cultureel diverse initiatieven in het Amsterdamse Kunstenplan. De belangrijkste conclusie was toen dat er de laatste jaren dan wel meer cultureel diverse instellingen in het Kunstenplan werden opgenomen, maar dat zij relatief veel minder subsidie ontvingen dan de andere instellingen. Alsof zij minder serieus werden genomen. En de instellingen waarbij multiculturele kunst wel centraal staat, hebben het vaak moeilijk, zo bleek de afgelopen jaren wederom. Poppodium Rasa in Utrecht kon niet overleven want het podium was volgens de commissie niet ‘urgent’ genoeg. Het multiculturele podium MC in Amsterdam kreeg in 2012 een zogenaamde ‘uitstappremie’ van € 2 miljoen van de gemeente Amsterdam. De subsidie zou worden stopgezet en MC kreeg de opdracht om commercieel te gaan draaien. Het podium kon zonder subsidie niet overleven, zo bleek. Geen verrassing. De stad had deze constructie nooit opgelegd aan bijvoorbeeld Frascati. Deze specifieke cases zijn exemplarisch voor hoe er wordt omgegaan met instellingen die culturele diversiteit in hun programma centraal hebben staan en een dito publiek willen binnenhalen.

Wie bepaalt wat kunst is?
Een van de – moeilijk bespreekbare – oorzaken van deze situatie is dat hoofdzakelijk blanke westerlingen bepalen wat als goede kunst mag worden beschouwd. Zij (wij) vormen onderlinge netwerken, bemensen de besturen en de commissies, bepalen de cultuur en de kaders. In de programmering en publiekswerving is die westerse focus ook zichtbaar, de programmeurs en marketeers zijn onwennig in het bereiken van andere doelgroepen. Het is diepgeworteld. Om echte verandering te bewerkstelligen, moeten instellingen culturele diversiteit bewust en met actief beleid stimuleren, om zo een meer representatieve opbouw te krijgen van het publiek, personeel (besturen, directies en medewerkers) en de programmering (conservatoren, programmeurs, kunstenaars). Er begint gelukkig besef te komen: Cultuur+Ondernemen constateerde na onderzoek eerder dit jaar dat 78% van de door hen ondervraagde besturen/raden van toezicht niet tevreden is over de diversiteit op het gebied van etnische achtergrond.[2] De wens om te veranderen is er, het handelen ernaar is de volgende stap.

Noem het politieke voorkeur, noem het moreel kompas: ik streef naar een gelijke uitwisseling van kunstuitingen van verschillende bevolkingsgroepen en een eerlijker verdeling van subsidies. Om een meer representatieve opbouw te creëren zijn meerdere oplossingsrichtingen denkbaar.

Ten eerste zouden het Rijk en gemeentes hierop sterker moeten focussen: geef cultureel diverse instellingen structureel een kans om te werken aan artistieke en financiële professionalisering, om zo op te groeien tot volwassen organisaties.

Doe eens echt je best
En ook de instellingen kunnen zich sterker inzetten. Ik pleit er niet voor dat alle cultuurinstellingen in dezelfde mate culturele diversiteit zouden moeten nastreven. Er moet ruimte zijn voor verschillende (sub)scenes, omdat de markt nou eenmaal gesegmenteerd is en dit naar verwachting alleen maar zal toenemen. Maar dit argument is geen vrijbrief om je als instelling te ontdoen van de verantwoordelijkheid. In het kort, pas toe of leg uit.

Er ligt juist een kans voor de gevestigde podia en musea. Als cultureel diverse kunst geprogrammeerd wordt in die gevestigde instellingen, wordt een kunstuiting juist sneller geaccepteerd en weten langzaamaan meerdere bevolkingsgroepen een bepaalde plek te vinden. Door als ‘westerse’ instellingen gelijkwaardige  samenwerkingsverbanden op te zoeken met andere – meer diverse – instellingen of netwerken, kan gebruik worden gemaakt van elkaars netwerk en umfeld. Dus instellingen, doe eens je best om culturele diversiteit echt te integreren in je organisatie en kijk serieus naar de bevolkings-
samenstelling van je stad. Alleen door een representatieve afspiegeling van de bevolking te realiseren in personeel (besturen, directies en medewerkers), en in programmering (conservatoren, programmeurs, kunstenaars) kan er een omwenteling gaan plaatsvinden. Het is een uitdaging, het is niet makkelijk, maar wel essentieel!


[1]  Onder meer onderzoek van Trienekens, S. Urban Paradoxes. 2004.
[2]  Onderzoek Governance in cultuur, stand van zaken 2016. Cultuur+Ondernemen.